Cijfers door de tijd
Meer meisjes met genderdysforie: de omslag in de geslachtsverhouding
Sinds circa 2010 melden zich bij jeugdgenderklinieken vooral geboortemeisjes in de puberteit. Wat de studies van Aitken, de Graaf, Kaltiala en Zucker laten zien en hoe de verklaringen worden gewogen.

De toename van meisjes met genderdysforie is misschien wel de meest opvallende verschuiving in de genderzorg van de afgelopen vijftien jaar. Tot ongeveer 2010 bestond de instroom bij genderklinieken overwegend uit geboortejongens en volwassen mannen. Sindsdien melden zich bij jeugdklinieken van Toronto tot Helsinki vooral geboortemeisjes in de puberteit, vaak zonder voorgeschiedenis van genderonvrede in de kindertijd en vaak met andere psychische problemen. Dit artikel beschrijft hoe die omslag is gedocumenteerd, hoe groot hij is en welke verklaringen onderzoekers ervoor geven, inclusief de kritiek op die verklaringen.
Het oude beeld: jongens en volwassen mannen
Decennialang was de genderkliniek vooral een plek voor geboortejongens en mannen. In de Amsterdamse cohortstudie van Wiepjes en collega's (2018), die alle 6.793 bezoekers van de genderpoli tussen 1972 en 2015 omvat, waren 4.432 personen bij geboorte als jongen geregistreerd en 2.361 als meisje: bijna twee op één. Oudere Nederlandse prevalentieschattingen voor transseksualiteit bij volwassenen lagen in dezelfde orde: ruwweg tweeënhalf keer zo veel geboortemannen als geboortevrouwen.
Bij kinderen was het verschil nog groter. De Londense jeugdkliniek GIDS verwees in de periode 2000-2017 volgens de Graaf en collega's (Journal of Sexual Medicine, 2018) 1.215 kinderen onder de twaalf, met een verhouding van 1,27 jongens per meisje. Bij de jongste kinderen (3 tot 9 jaar) domineerden jongens duidelijk; pas bij 10- tot 12-jarigen waren meisjes in de meerderheid. Jongens werden bovendien gemiddeld op jongere leeftijd verwezen. Ook die kinderverhouding schoof: het aandeel jongens nam significant af wanneer de cohorten 2000-2006 en 2007-2017 werden vergeleken.
De omslag bij adolescenten: Aitken 2015 en daarna
De eerste studie die de kanteling bij tieners systematisch aantoonde, kwam uit Toronto en Amsterdam. Aitken, Steensma, Zucker en collega's (Journal of Sexual Medicine, 2015) vergeleken de geslachtsverhouding van verwezen adolescenten in de periode 2006-2013 met die van de jaren ervoor. In beide klinieken was de verhouding omgeslagen: vóór 2006 waren geboortejongens in de meerderheid, in 2006-2013 geboortemeisjes. In Toronto veranderde intussen niets aan de verhouding bij 6.592 adolescenten die om andere redenen werden verwezen, wat uitsluit dat het om een algemene verschuiving in de jeugd-ggz ging.
Daarna volgden bevestigingen uit vrijwel elk land met gegevens:
- Engeland. De Graaf en collega's (Archives of Sexual Behavior, 2018) telden bij GIDS tussen 2009 en 2016 een stijging van 15 naar 1.071 verwezen adolescente meisjes, tegenover 24 naar 426 jongens. De Cass Review (2024) markeert 2014 als het jaar waarin de verwijzingen exponentieel gingen stijgen, met geboortemeisjes in de vroege tienerjaren als nieuwe meerderheid.
- Finland. In de eerste twee jaar van de Finse adolescentenpoli (2011-2013) waren 41 van de 47 aanmelders geboortemeisjes, ruim 87 procent (Kaltiala-Heino et al., 2015).
- Zweden. Socialstyrelsen rapporteerde in 2020 een stijging van bijna 1.500 procent in nieuwe diagnoses bij als meisje geregistreerde 13- tot 17-jarigen tussen 2008 en 2018. In het rapport van 2025 schrijft de dienst dat genderdysforie na 2013 steeds vaker voorkwam bij geboortemeisjes dan bij geboortejongens.
- Nederland. Arnoldussen en collega's (2020) beschreven 1.072 adolescenten die tussen 2000 en 2016 bij Amsterdam UMC werden verwezen: 404 geboortejongens en 668 geboortemeisjes. De NOS meldde in 2021 dat de groep met vrouwelijk geboortegeslacht bij de Amsterdamse jeugdpoli inmiddels drie keer zo groot was als de groep met mannelijk geboortegeslacht.
- Vijf landen vergeleken. Kaltiala en collega's (2020) vonden in Denemarken, Finland, Noorwegen, Zweden en het VK over 2011-2017 bij kinderen een gelijke verhouding, maar bij adolescenten overal een overwicht van geboortemeisjes, het sterkst in Finland.
Deze omslag valt samen met de algemene groei van verwijzingen die we beschrijven in het cornerstone-artikel over verwijzingen naar genderklinieken door de tijd. Het is belangrijk om te zien dat het niet om een verschuiving bínnen een gelijkblijvende groep gaat: het aantal verwezen jongens steeg ook, alleen veel minder hard dan het aantal meisjes.
Latere aanvang: genderdysforie die in de puberteit begint
De tweede verandering betreft het moment van ontstaan. Het klassieke beeld, waarop ook het Nederlandse behandelprotocol was gebouwd, was dat van een kind dat al vanaf de kleutertijd consistent aangeeft het andere geslacht te zijn en bij wie die gevoelens in de puberteit aanhouden. In de Finse cohort van Kaltiala-Heino rapporteerde slechts 32 procent van de jongeren dat zij vóór hun twaalfde aan hun gender begonnen te twijfelen; 62 procent plaatste het begin op twaalf jaar of later, en bij slechts 5 van de 47 was sprake van aanhoudende genderdysforie vanuit de kindertijd. Zucker (Archives of Sexual Behavior, 2019) beschrijft deze nieuwe subgroep als onevenredig vaak bestaand uit geboortemeisjes zonder voorgeschiedenis van genderdysforie of zelfs van uitgesproken gendernonconform gedrag in de kindertijd.
Dat is klinisch relevant omdat het onderzoek waarop de behandeling van minderjarigen steunt, zoals de Amsterdamse studies van de Vries en collega's uit 2011 en 2014, grotendeels betrekking had op jongeren met vroeg begonnen, aanhoudende genderdysforie. Wat die studies precies lieten zien en voor wie ze gelden, is uitgewerkt op dutchprotocol.nl. De Cass Review trekt hieruit de conclusie dat oudere onderzoeksresultaten niet zonder meer op de huidige instroom kunnen worden toegepast.
Hoge comorbiditeit bij de nieuwe groep
De derde verandering is het psychiatrische profiel. In de Finse cohort was 75 procent van de jongeren eerder of nog steeds in psychiatrische behandeling om andere redenen dan gender, en had 26 procent een autismespectrumdiagnose. Het Zweedse Socialstyrelsen berekende voor 13- tot 17-jarige meisjes met genderdysforie (2016-2018) een angststoornis bij 32,4 procent, depressie bij 28,9 procent, ADHD bij 19,4 procent en autisme bij 15,2 procent; in de algemene bevolking van die leeftijd zijn die percentages respectievelijk 4,2, 2,8, 4,4 en 1,3. Bij geboortejongens met genderdysforie waren depressie en angst eveneens verhoogd, maar minder sterk. In het rapport van 2025 meldt Socialstyrelsen dat 71 procent van de geboortemeisjes met een diagnose uit 2011-2018 ten minste één andere psychiatrische diagnose had, tegen 64 procent van de geboortejongens.
Ook de Graaf en collega's zagen in de Britse data dat de nieuwe adolescente meisjes meer psychische problemen rapporteerden dan eerder gebruikelijk was in deze groep. Het verband tussen autisme en genderonvrede, dat bij meisjes extra vaak over het hoofd wordt gezien, wordt op genderautisme.nl uitgebreid behandeld.
Hypothesen over de omslag
Waarom juist meisjes, en waarom juist nu? De literatuur biedt meerdere verklaringen die elkaar deels overlappen.
1. Minder stigma, vooral voor transjongens
Een veelgehoorde verklaring is dat geboortemeisjes die zich als jongen identificeren historisch minder zichtbaar waren en minder vaak hulp zochten, en dat de toegenomen acceptatie dus vooral bij hen een inhaalslag veroorzaakt. Ook speelt mee dat gendernonconform gedrag bij meisjes maatschappelijk langer werd getolereerd, waardoor zij pas in de puberteit, als lichaam en sociale rol gaan knellen, tegen een grens aanlopen. Dit verklaart een deel van de groei, maar niet waarom de curve in alle landen op vrijwel hetzelfde moment knikt.
2. Sociale invloed en de ROGD-hypothese
Littman (PLOS One, 2018) introduceerde de term rapid-onset gender dysphoria op basis van een enquête onder 256 ouders die een plotseling begin van genderdysforie in de adolescentie beschreven, dikwijls in vriendengroepen waarin meerdere jongeren tegelijk uit de kast kwamen als trans, en na toegenomen internetgebruik. De hypothese sluit aan bij de observatie dat adolescente meisjes gevoeliger zijn voor sociale beïnvloeding bij internaliserende problemen, zoals eetstoornissen en zelfbeschadiging. De studie is echter scherp bekritiseerd: de ouders werden geworven via websites met een kritische grondhouding, de jongeren zelf zijn niet bevraagd en de term suggereert een klinische entiteit die niet is gevalideerd. PLOS One publiceerde in 2019 een correctie waarin de beperkingen zijn aangescherpt; Restar (Archives of Sexual Behavior, 2020) noemde de methode onder de wetenschappelijke maat.
Twee latere studies vonden geen steun voor de hypothese. Bauer en collega's (Journal of Pediatrics, 2022) toetsten bij 173 Canadese jongeren in genderklinieken dertien kenmerken die bij ROGD zouden passen en vonden geen verband tussen recent ontstane genderkennis en psychische klachten. Turban en collega's (Pediatrics, 2022) zagen in Amerikaanse scholierenenquêtes uit 2017 en 2019 geen oververtegenwoordiging van geboortemeisjes onder transjongeren. Op hun beurt kregen die studies kritiek: de Canadese jongeren waren al toegelaten tot een medisch traject, en de Amerikaanse enquête vroeg niet naar geboortegeslacht maar naar “sex”, wat transjongeren mogelijk als genderidentiteit hebben gelezen. De discussie is daarmee onbeslist, maar het idee dat sociale context een rol speelt, wordt ook door de Cass Review serieus genomen.
3. Puberteit, lichaam en seksualiteit
Een derde lijn kijkt naar wat de puberteit specifiek voor meisjes betekent: ongewenste seksuele aandacht, lichaamsonvrede en de confrontatie met vrouwelijke rolverwachtingen. De Cass Review noemt onder meer worsteling met een opkomende homoseksuele oriëntatie en vroege blootstelling aan online pornografie als factoren die bij een deel van de jongeren kunnen meespelen. In deze lezing is genderonvrede soms een manier om aan een beklemmend meisjesbestaan te ontsnappen, en kan ze met tijd en steun ook weer afnemen. Dat is een van de redenen waarom het principe van tijd nemen en afwachtend begeleiden opnieuw in de belangstelling staat.
4. Gewoon een lagere drempel, geen andere groep
Tegenover deze verklaringen staat de interpretatie van de Amsterdamse onderzoekers zelf. Arnoldussen en collega's (2020) vonden bij 1.072 adolescenten uit 2000-2016 behalve de verschuiving naar geboortemeisjes geen trend in de intensiteit van de genderdysforie, en het psychisch functioneren verbeterde zelfs licht. Zij concluderen dat de nieuwe instroom niet wezenlijk verschilt van de oude en dat vooral de drempel om hulp te zoeken is gedaald. Critici brengen daartegen in dat deze studie alleen jongeren omvat die de intake al hadden doorlopen, zodat een eventueel afwijkende groep bij de poort kan zijn uitgefilterd of simpelweg nog op de wachtlijst stond.
Een beweging die alweer verandert?
De omslag is geen eindpunt. Socialstyrelsen signaleert in 2025 dat de groei van nieuwe diagnoses in Zweden na 2016 afneemt en dat het verschil tussen de geslachten weer kleiner wordt. Tegelijk daalde na 2018 het aandeel minderjarige geboortemeisjes dat puberteitsremmers of testosteron kreeg sterk, terwijl dat bij geboortejongens stabiel bleef; de dienst zegt daarvoor geen medische verklaring te hebben. Of dit een reactie is op het Zweedse koersbesluit van 2022, op maatschappelijk debat, of op een natuurlijk hoogtepunt van de golf, valt uit de registers niet af te lezen. Een overzicht van de keerpunten in dat debat staat in de tijdlijn van het transgenderdebat.
Weging
Over de feiten bestaat weinig discussie: sinds ongeveer 2010 melden zich bij jeugdgenderklinieken in alle onderzochte landen meer geboortemeisjes dan geboortejongens, de aanvang ligt vaker in de puberteit en de psychiatrische comorbiditeit is hoog. Dat is door onafhankelijke klinieken en bevolkingsregisters bevestigd. Over de verklaring bestaat wél discussie, en die wordt soms gevoerd alsof slechts één antwoord waar kan zijn. Waarschijnlijker is dat destigmatisering, een lagere drempel, sociale dynamiek in vriendengroepen en online, en de specifieke kwetsbaarheid van tienermeisjes met andere psychische problemen tegelijk werken, in wisselende mate per jongere.
Voor de zorg betekent dit dat het geboortegeslacht en de leeftijd van aanvang geen bijzaak zijn. De jongeren voor wie het bewijs over medische behandeling is verzameld, zijn in meerderheid niet de jongeren die zich nu melden. Dat pleit niet voor afwijzing, maar wel voor zorgvuldige diagnostiek en voor het serieus nemen van wat er nog meer speelt. Meer cijfers over de ontwikkeling door de jaren heen vindt u in de rubriek Cijfers door de tijd.
Bronnen
- Aitken, M., Steensma, T.D., Blanchard, R. et al. (2015). Evidence for an altered sex ratio in clinic-referred adolescents with gender dysphoria. Journal of Sexual Medicine, 12(3), 756-763.
- de Graaf, N.M., Carmichael, P., Steensma, T.D. & Zucker, K.J. (2018). Evidence for a change in the sex ratio of children referred for gender dysphoria: Data from the Gender Identity Development Service in London (2000-2017). Journal of Sexual Medicine, 15(10), 1381-1383.
- de Graaf, N.M., Giovanardi, G., Zitz, C. & Carmichael, P. (2018). Sex ratio in children and adolescents referred to the Gender Identity Development Service in the UK (2009-2016). Archives of Sexual Behavior, 47, 1301-1304.
- Kaltiala-Heino, R., Sumia, M., Työläjärvi, M. & Lindberg, N. (2015). Two years of gender identity service for minors: Overrepresentation of natal girls with severe problems in adolescent development. Child and Adolescent Psychiatry and Mental Health, 9, 9.
- Zucker, K.J. (2019). Adolescents with gender dysphoria: Reflections on some contemporary clinical and research issues. Archives of Sexual Behavior, 48, 1983-1992.
- Arnoldussen, M., Steensma, T.D., Popma, A. et al. (2020). Re-evaluation of the Dutch approach: Are recently referred transgender youth different compared to earlier referrals? European Child & Adolescent Psychiatry, 29, 803-811.
- Littman, L. (2018). Parent reports of adolescents and young adults perceived to show signs of a rapid onset of gender dysphoria. PLOS One, 13(8), e0202330 (gecorrigeerde versie 2019); Restar, A.J. (2020). Methodological critique of Littman's (2018) parental-respondents accounts of “rapid-onset gender dysphoria”. Archives of Sexual Behavior, 49, 61-66.
- Cass, H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: Final report. The Cass Review / NHS England; Socialstyrelsen (2020, 2025). Utvecklingen av diagnosen könsdysfori; Stärkt uppföljning av vård vid könsdysfori. Socialstyrelsen, Stockholm.
Redactie Transtijd.nl
Onafhankelijke redactie die de geschiedenis, keerpunten en cijfers van het transgenderdebat met controleerbare bronnen in kaart brengt. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 23 september 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

