Cijfers door de tijd
Verwijzingen naar genderklinieken: de cijfers door de tijd
Van circa 50 verwijzingen per jaar in 2009 naar ruim 5.000 in 2021/22: de groei van genderklinieken in het VK, Nederland, Zweden, Finland, de VS en Canada, met verklaringen en recente afvlakking.

Wie de cijfers over verwijzingen naar genderklinieken naast elkaar legt, ziet in vrijwel elk westers land dezelfde curve: een vlakke lijn tot ongeveer 2010, een knik rond 2013 tot 2015 en daarna een steile klim die pas na 2020 lijkt af te vlakken. De Britse Cass Review telde voor de jeugdkliniek GIDS ongeveer vijftig verwijzingen in 2009 en ruim vijfduizend in het jaar 2021/22. In Nederland groeide het aantal aanmeldingen van minderjarigen voor psychologische genderzorg in nog geen drie jaar met 183 procent. Dit artikel zet de verwijzingscijfers per land op een rij, laat zien welke bronnen erachter zitten en welke verklaringen onderzoekers geven voor de groei en de recente stabilisatie.
Verenigd Koninkrijk: van tientallen naar duizenden
De best gedocumenteerde reeks komt uit Engeland. De Gender Identity Development Service (GIDS) van de Tavistock and Portman NHS Trust was tot de sluiting in maart 2024 de enige gespecialiseerde jeugdkliniek voor heel Engeland en Wales, waardoor de verwijzingen daar een landelijk beeld geven. Volgens het eindrapport van de Cass Review (april 2024) zag de dienst, opgericht in 1989, aanvankelijk minder dan tien kinderen per jaar, overwegend jongens vóór de puberteit. In 2009 lag het aantal verwijzingen rond de vijftig per jaar, in 2011/12 net onder de 250. GIDS zelf rapporteerde 697 verwijzingen in 2014/15 en 1.419 in 2015/16. Daarna versnelde de groei verder: de Cass Review noemt ruim 5.000 verwijzingen in 2021/22, een toename van bijna 10.000 procent ten opzichte van 2009.
De samenstelling veranderde mee. Een analyse van GIDS-verwijzingen door de Graaf en collega's (Archives of Sexual Behavior, 2018) laat zien dat het aantal verwezen adolescente meisjes tussen 2009 en 2016 steeg van 15 naar 1.071, terwijl het aantal adolescente jongens groeide van 24 naar 426. Bij kinderen onder de twaalf bleef de verhouding ongeveer gelijk (van 2 naar 138 meisjes en van 10 naar 131 jongens). De Cass Review markeert 2014 als het jaar waarin de verwijzingen exponentieel begonnen te stijgen, met als nieuwe meerderheid geboortemeisjes die zich in de vroege tienerjaren meldden. Die omslag behandelen we apart in het artikel over de veranderde geslachtsverhouding.
Wat de Britse cijfers wel en niet zeggen
Een verwijzing is geen diagnose. GIDS registreerde elke aanmelding, ook van jongeren die uiteindelijk niet werden gezien of die na een eerste gesprek werden terugverwezen. Daarnaast telt de Cass Review verwijzingen inclusief de aanmeldingen die direct op de wachtlijst belandden, wat mede verklaart waarom het getal van ruim 5.000 hoger ligt dan sommige eerdere jaaroverzichten van GIDS zelf. Bij vergelijking tussen landen is het daarom belangrijk om telkens te kijken wat precies geteld is: verwijzingen, intakes, gestelde diagnoses of behandelingen.
Nederland: aanmeldingen bij Amsterdam UMC en de Kwartiermaker
Nederland heeft geen centraal verwijzingsregister, maar wel twee bruikbare bronnen: de eigen publicaties van het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie van Amsterdam UMC (voorheen VUmc), dat decennialang vrijwel alle Nederlandse genderzorg leverde, en de voortgangsrapportages van de Kwartiermaker Transgenderzorg, die eind 2018 door Zorgverzekeraars Nederland en het ministerie van VWS werd aangesteld om vraag, aanbod en wachttijden in kaart te brengen.
De lange reeks komt uit de Amsterdamse cohortstudie van Wiepjes en collega's (Journal of Sexual Medicine, 2018). Zij beschrijven 6.793 personen die tussen 1972 en 2015 de genderpoli bezochten en laten zien dat het aantal per jaar beoordeelde mensen twintig keer zo groot werd: van 34 in 1980 naar 686 in 2015. Het Jaarbeeld 2011-2018 van het centrum meldt dat er in 2018 gemiddeld zeventig volwassenen en veertig kinderen per maand als nieuwe patiënt werden verwezen, oftewel ruim 1.300 nieuwe verwijzingen per jaar bij één instelling. Het centrum schrijft daarbij letterlijk dat er “geen eenduidige verklaring voor de groei in het aantal verwijzingen” is en spreekt van een maatschappelijk fenomeen waarvoor niet één verklaring te geven is.
Voor minderjarigen zijn de cijfers van de Kwartiermaker het scherpst. In antwoord op Kamervragen meldde de minister van VWS in 2022 dat het aantal aanmeldingen van kinderen en jongeren onder de 18 voor psychologische transgenderzorg steeg van 883 in december 2018 naar 2.500 in januari 2022, een toename van 183 procent. De NOS berichtte in september 2021 op basis van Amsterdam UMC dat de jeugdpoli tot 2013 enkele tientallen jongeren per jaar zag en in de jaren daarvoor was gegroeid naar ongeveer vijfhonderd per jaar, terwijl het aantal volwassen aanmeldingen in dezelfde periode verdubbelde. In de laatste voortgangsbrief van de Kwartiermaker (december 2022) stonden 8.630 inschrijvingen voor psychologische genderzorg geregistreerd, alle leeftijden samen. Omdat mensen zich gemiddeld bij anderhalve aanbieder inschrijven, schatte de Kwartiermaker het werkelijke aantal wachtenden op 5.753. De gemiddelde wachttijd tot intake was intussen opgelopen van 51 naar 60 weken.
Vraag groeit harder dan aanbod
Opvallend is dat de Nederlandse groeicijfers niet voortkomen uit krimpend aanbod. De Kwartiermaker rapporteerde dat de capaciteit voor psychologische genderzorg steeg van 2.516 behandelplekken in 2021 naar 3.855 in 2022 (+53 procent), met een verwachte verdere groei naar 4.760 in 2023. Ondanks die uitbreiding bleven de wachtlijsten groeien. Onderzoeksbureau SiRM, dat in 2023 in opdracht van VWS de toekomstige zorgvraag raamde, telde op dat moment ongeveer 7.000 mensen die wachtten op indicatiestelling voor somatische genderzorg, met een gemiddelde wachttijd tot intake van bijna twee jaar. Hoe dat uitpakte voor de wachtlijsten leest u in het artikel over wachtlijsten in de Nederlandse genderzorg; de bredere context staat in het dossier over de geschiedenis van het Dutch Protocol.
Zweden en Finland: registerdata van hele bevolkingen
De Scandinavische landen hebben een voordeel dat Nederland en het VK missen: landelijke patiëntenregisters waarin elke diagnose wordt vastgelegd. Het Zweedse Socialstyrelsen publiceerde in februari 2020 het rapport Utvecklingen av diagnosen könsdysfori, waarin het aantal nieuwe genderdysforiediagnoses bij als meisje geregistreerde 13- tot 17-jarigen tussen 2008 en 2018 met bijna 1.500 procent toenam. Een onafhankelijke registerstudie van Indremo en collega's (Scientific Reports, 2021) berekende voor 2004-2015 een stijging van de incidentie van 0,07 naar 0,47 per 10.000 bij geboortemeisjes en van 0,15 naar 0,38 per 10.000 bij geboortejongens, met de sterkste jaarlijkse groei (33 procent) bij meisjes van 10 tot 17.
Dezelfde Zweedse registers laten ook comorbiditeit zien. Van de 13- tot 17-jarige meisjes met een genderdysforiediagnose in 2016-2018 had volgens Socialstyrelsen 32,4 procent een angststoornis, 28,9 procent een depressie, 19,4 procent ADHD en 15,2 procent autisme, tegenover respectievelijk 4,2, 2,8, 4,4 en 1,3 procent in de totale bevolking van die leeftijd. Juist deze combinatie van onverklaarde groei en hoge psychiatrische comorbiditeit was voor Socialstyrelsen in 2022 een van de redenen om hormoonbehandeling van minderjarigen tot uitzonderingsgevallen te beperken, een keerpunt dat we beschrijven in het artikel over de koerswijziging in Zweden, Finland en het VK.
Finland startte pas in 2011 met een aparte genderpoli voor adolescenten. Kaltiala-Heino en collega's beschreven de eerste twee jaar (2011-2013): 47 aanmeldingen, waarvan 41 geboortemeisjes; driekwart van de jongeren was al eerder in psychiatrische behandeling om andere redenen. Een vergelijkende studie van Kaltiala en collega's (Nordic Journal of Psychiatry, 2020) bracht vervolgens de verwijzingen in Denemarken, Finland, Noorwegen, Zweden en het VK over 2011-2017 bij elkaar en vond in alle vijf landen hetzelfde groeipatroon, uitmondend in vergelijkbare, voor bevolkingsomvang gecorrigeerde verwijzingscijfers in 2017. De auteurs noemen als mogelijke verklaringen toegenomen bekendheid, beschikbaarheid van zorg, destigmatisering en sociale en media-invloeden, maar stellen nadrukkelijk dat de oorzaak niet bekend is.
Verenigde Staten en Canada: verzekeringsdata en kliniekcijfers
De Verenigde Staten kennen geen centrale kliniek of register, waardoor landelijke verwijzingscijfers ontbreken. De meest geciteerde bron is een analyse van verzekeringsdeclaraties door Komodo Health voor persbureau Reuters (oktober 2022). Daarin steeg het aantal kinderen van 6 tot 17 jaar met een nieuwe diagnose genderdysforie van 15.172 in 2017 via 24.847 in 2020 naar 42.167 in 2021; over de vijf jaar samen ging het om minstens 121.882 kinderen. Het aantal declaraties voor puberteitsremmers bij minderjarigen verdubbelde in dezelfde periode ruimschoots, van 633 naar 1.390. Het gaat hier om een steekproef van verzekerden, niet om de hele bevolking, dus de absolute aantallen zijn een ondergrens. Over wat die puberteitsremmers doen en welke discussie erover loopt, leest u op puberteitsremmers.nl.
Voor Canada zijn er geen landelijke cijfers, maar wel kliniekgegevens. De Toronto-kliniek van het Centre for Addiction and Mental Health leverde samen met Amsterdam de data voor de studie van Aitken en collega's (2015) die als eerste de omslag in de geslachtsverhouding bij adolescenten documenteerde. Het kinderziekenhuis CHEO in Ottawa meldde een stijging van 210 verwijzingen in 2019 naar 280 in 2021. De orde van grootte is dus vergelijkbaar met Europa; wat ontbreekt, is een nationale teller.
Welke verklaringen noemt de literatuur?
Vrijwel elke bron die de groei beschrijft, voegt eraan toe dat de oorzaak niet vaststaat. De Cass Review concludeert dat er brede overeenstemming is over een mix van biologische en psychosociale factoren, maar dat toegenomen acceptatie alléén de stijging niet kan verklaren. De verklaringen die in de literatuur terugkeren, zijn grofweg in vijf groepen te verdelen:
- Meer zichtbaarheid en acceptatie. Transgender personen zijn sinds ongeveer 2010 veel zichtbaarder in media en onderwijs. Mensen die vroeger hun gevoelens verborgen, zoeken nu wel hulp. Kinderpsychiater Annelou de Vries van Amsterdam UMC noemde in 2021 tegenover de NOS zichtbaarheid, media-aandacht en de zoektocht op sociale media als drijvende krachten.
- Bredere criteria en terminologie. De DSM-5 (2013) verving de diagnose genderidentiteitsstoornis door het ruimere genderdysforie, en de ICD-11 (2019) haalde genderincongruentie uit het hoofdstuk psychische stoornissen. De drempel om een verwijzing te vragen en te krijgen is daarmee lager geworden; ook non-binaire jongeren vallen nu binnen de doelgroep.
- Sociale invloed en leeftijdsgenoten. Littman (PLOS One, 2018) beschreef op basis van een enquête onder 256 ouders een patroon waarbij genderdysforie plotseling in de adolescentie opkwam, vaak in vriendengroepen en na intensief internetgebruik. De studie is methodologisch zwaar bekritiseerd, onder meer door Restar (2020), omdat alleen ouders zijn bevraagd via kritische websites; PLOS One voegde in 2019 een correctie toe. De Cass Review noemt sociale media en de online beschikbaarheid van informatie niettemin als factoren die meewegen.
- Internet en informatie. Los van sociale besmetting wijzen onderzoekers op het simpele feit dat jongeren nu via internet een taal en een route vinden die een generatie eerder niet bestond. Dat verhoogt de vraag ook bij jongeren met langdurige, stabiele gevoelens.
- Comorbiditeit en kwetsbaarheid. De hoge percentages autisme, ADHD, depressie en angst in de Zweedse en Finse cohorten roepen de vraag op of een deel van de groei bestaat uit jongeren bij wie genderonvrede samenhangt met andere ontwikkelingsproblemen. Over de relatie met autisme schrijft de zustersite genderautisme.nl uitgebreid.
Hoe onderzoekers de verklaringen wegen
De weging verschilt per onderzoeksgroep. Arnoldussen en collega's van Amsterdam UMC vergeleken 1.072 adolescenten die tussen 2000 en 2016 waren verwezen (European Child & Adolescent Psychiatry, 2020) en vonden, afgezien van de verschuiving naar geboortemeisjes, geen trend in de intensiteit van de genderdysforie; het psychisch functioneren verbeterde zelfs licht. Zij lezen dat als steun voor de verklaring dat vooral de drempel lager is geworden, niet dat er een wezenlijk andere groep binnenkomt. Zucker (Archives of Sexual Behavior, 2019) wijst er daarentegen op dat de nieuwe instroom voor een onevenredig deel bestaat uit geboortemeisjes zonder voorgeschiedenis van genderdysforie in de kindertijd, en pleit voor onderzoek naar sociaal-culturele factoren. De Cass Review kiest een tussenpositie: geen enkele verklaring volstaat, en juist omdat de populatie is veranderd, kan onderzoek uit de periode vóór 2010 niet zonder meer worden toegepast op de huidige instroom. Dat is ook een kernargument op genderzorgen.nl, dat de zorgen van ouders en behandelaars over snelle medische trajecten bundelt.
Afvlakking en daling na 2020
De steile curve is niet overal doorgetrokken. Het duidelijkst is dat in Zweden. In het rapport Stärkt uppföljning av vård vid könsdysfori (februari 2025) schrijft Socialstyrelsen dat de grootste stijging plaatsvond tussen 2014 en 2016, dat de groei van de incidentie daarna begon af te nemen en dat het verschil tussen de geslachten kleiner wordt. Met uitzondering van de coronadip in 2020 lijkt het aantal nieuwe diagnoses zich te stabiliseren op 1.000 tot 1.200 per jaar voor alle leeftijden samen. Opmerkelijker nog is wat er met de behandeling gebeurde: het aandeel geboortemeisjes onder de 18 dat puberteitsremmers kreeg, daalde na 2018 sterk, en de vervijfvoudiging van testosteronbehandelingen bij minderjarige geboortemeisjes tussen 2015 en 2018 sloeg om in een forse daling. Bij geboortejongens bleef het beeld stabiel. Socialstyrelsen heeft daar, zo schrijft het zelf, geen medische verklaring voor.
In Engeland is de verandering vooral het gevolg van beleid. Sinds de sluiting van GIDS in maart 2024 kunnen jongeren alleen nog via de jeugd-ggz of de kinderarts worden verwezen, niet meer rechtstreeks via de huisarts. Britse media meldden in 2025 op basis van NHS-gegevens dat het aantal nieuwe verwijzingen was teruggevallen van maximaal 280 per maand bij de Tavistock naar twintig à dertig per maand. De wachtlijst kromp daardoor niet: eind maart 2025 stonden volgens NHS England 6.225 minderjarigen op de landelijke wachtlijst, tegen 5.560 een jaar eerder. Hoe de Cass Review tot dit nieuwe stelsel leidde, staat in het artikel over de Cass Review als keerpunt.
Voor Nederland is een recente afvlakking niet goed vast te stellen. Sinds het mandaat van de Kwartiermaker eind 2022 afliep, antwoordde het ministerie op Kamervragen in 2024 dat er voor gespecialiseerde genderzorg aan jongeren onder de 18 geen actuele landelijke cijfers over wachtenden en wachttijden beschikbaar zijn en dat deze niet landelijk worden bijgehouden. Wie beweert dat de Nederlandse aanmeldingen dalen of juist blijven stijgen, doet dat op dit moment dus zonder landelijke onderbouwing.
Weging: wat de cijfers wel en niet bewijzen
Drie conclusies zijn goed onderbouwd. Ten eerste is de groei reëel en internationaal: in elk land met bruikbare data, van Finland tot de Verenigde Staten, vertienvoudigde de vraag binnen ongeveer tien jaar, en in Engeland en Zweden bij tieners nog veel sterker. Ten tweede veranderde de samenstelling: de groei komt grotendeels voor rekening van adolescente geboortemeisjes, vaak met andere psychische problematiek. Ten derde is de groei na ongeveer 2020 in Zweden afgevlakt en in Engeland door beleid afgeremd, terwijl voor Nederland landelijke cijfers ontbreken.
Wat de cijfers niet bewijzen, is waaróm dit gebeurde. Verwijzingsdata registreren wie zich meldt, niet wat de gevoelens veroorzaakt. Dat meer acceptatie een rol speelt, bestrijdt vrijwel niemand; dat het de hele groei verklaart, gelooft vrijwel geen onderzoeker meer, ook de Cass Review niet. De eerlijke samenvatting is die van Amsterdam UMC zelf: een maatschappelijk fenomeen waarvoor niet één verklaring te geven is. Juist dat onzekere maakt het argument om bij jongeren tijd te nemen sterker dan tien jaar geleden. Meer cijfers door de jaren heen vindt u in de rubriek Cijfers door de tijd.
Bronnen
- Cass, H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: Final report. The Cass Review / NHS England.
- de Graaf, N.M., Giovanardi, G., Zitz, C. & Carmichael, P. (2018). Sex ratio in children and adolescents referred to the Gender Identity Development Service in the UK (2009-2016). Archives of Sexual Behavior, 47, 1301-1304.
- Wiepjes, C.M. et al. (2018). The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972-2015): Trends in prevalence, treatment, and regrets. Journal of Sexual Medicine, 15, 582-590.
- Amsterdam UMC, Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie (2019). Genderzorg in ontwikkeling: Jaarbeeld 2011-2018. Amsterdam UMC.
- Minister van VWS (2022). Antwoord op Kamervragen over wachtlijsten in de transgenderzorg (Aanhangsel Handelingen 2021-2022, nr. 3984) en Voortgangsbrief Kwartiermaker Transgenderzorg (Kamerstuk 31016, december 2022). Tweede Kamer der Staten-Generaal.
- Socialstyrelsen (2020). Utvecklingen av diagnosen könsdysfori: Förekomst, samtidiga psykiatriska diagnoser och dödlighet i suicid. Socialstyrelsen, Stockholm; Socialstyrelsen (2025). Stärkt uppföljning av vård vid könsdysfori. Socialstyrelsen, Stockholm.
- Kaltiala, R., Bergman, H., Carmichael, P. et al. (2020). Time trends in referrals to child and adolescent gender identity services: A study in four Nordic countries and in the UK. Nordic Journal of Psychiatry, 74(1), 40-44.
- Respaut, R. & Terhune, C. (2022). Putting numbers on the rise in children seeking gender care (analyse Komodo Health). Reuters, 6 oktober 2022.
Redactie Transtijd.nl
Onafhankelijke redactie die de geschiedenis, keerpunten en cijfers van het transgenderdebat met controleerbare bronnen in kaart brengt. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 26 augustus 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

