Tijdlijn

Van transseksueel naar genderdivers: hoe de betekenis van de woorden verschoof

Transseksueel, transgender, genderdysforie, genderincongruentie, non-binair: hoe de terminologie sinds 1966 veranderde en wat dat betekent voor cijfers, zorg en debat.

Redactie Transtijd.nl
·
Gepubliceerd 9 september 2026
Illustratie bij: Van transseksueel naar genderdivers: hoe de betekenis van de woorden verschoof

Transseksueel, transgender, genderdysforie, genderincongruentie, genderdivers, non-binair: in zestig jaar is de taal rond gender ingrijpend veranderd. Wie de betekenis van transseksueel en transgender naast elkaar legt, ziet geen simpele vervanging van een ouderwets woord door een nieuw woord, maar een verschuiving in wat er precies benoemd wordt. En die verschuiving heeft gevolgen voor hoe we tellen, wie zorg krijgt en waar het debat over gaat.

Transseksualiteit: een medische term uit de twintigste eeuw

Het woord transseksualiteit stamt uit de seksuologie van het begin van de twintigste eeuw. De Duitse arts Magnus Hirschfeld gebruikte in 1923 al de term 'seelischer Transsexualismus', en de Amerikaan David Cauldwell schreef in 1949 over 'psychopathia transexualis'. Maar het was de endocrinoloog Harry Benjamin die het begrip in 1966 met The Transsexual Phenomenon een vaste plaats gaf. Benjamin maakte scherp onderscheid tussen transseksuelen, travestieten en homoseksuelen, en betoogde dat psychotherapie de transseksuele wens niet wegnam, terwijl hormonen en chirurgie het lijden wel verminderden. Zijn definitie was medisch en lichamelijk: een transseksueel is iemand die ervan overtuigd is tot het andere geslacht te behoren en zijn lichaam daaraan wil aanpassen.

Die invulling bepaalde decennialang het denken, ook in Nederland. Toen in 1975 aan de Vrije Universiteit in Amsterdam het eerste genderteam ontstond, heette de doelgroep transseksuelen en was het einddoel een volledige geslachtsaanpassende behandeling. De Nederlandse wet van 1985 die wijziging van de geslachtsvermelding mogelijk maakte, eiste lichamelijke aanpassing en onvruchtbaarheid: transseksualiteit was per definitie een traject dat in het lichaam eindigde.

1980 en 1994: transseksualisme en genderidentiteitsstoornis in de DSM

In 1980 nam de American Psychiatric Association transseksualisme op in de derde editie van haar handboek, de DSM-III, naast een aparte categorie voor genderidentiteitsstoornis in de kindertijd. Daarmee werd de conditie officieel een psychiatrische diagnose, met toegang tot zorg als praktisch gevolg. De Wereldgezondheidsorganisatie volgde in de ICD-10, met 'transseksualisme' als code F64.0 binnen de stoornissen van de genderidentiteit.

In 1994 verdween het woord transseksualisme uit de DSM-IV. De nieuwe overkoepelende diagnose heette genderidentiteitsstoornis, met subtypen voor kinderen en voor adolescenten en volwassenen. De verschuiving lijkt klein, maar is wezenlijk: niet langer het verlangen naar lichamelijke verandering stond centraal, maar de identiteit zelf, en die werd als gestoord geclassificeerd. Precies dat laatste zou de volgende twintig jaar het strijdpunt worden.

Jaren negentig: transgender als paraplu

Buiten de spreekkamer ontstond intussen een andere taal. Het woord transgender werd in de jaren zeventig en tachtig in de Verenigde Staten sporadisch gebruikt voor mensen die permanent in de andere genderrol leefden zonder operatie. Begin jaren negentig, met onder meer het pamflet Transgender Liberation van Leslie Feinberg uit 1992, werd het een parapluterm voor iedereen wiens genderidentiteit of -expressie afwijkt van het geboortegeslacht: transseksuelen, travestieten, mensen die zich noch man noch vrouw voelen. Transgender was een zelfbenoeming, geen diagnose, en juist die openheid maakte het woord succesvol. In Nederland zette de term in de jaren 2000 door; de landelijke belangenorganisatie koos bij haar oprichting de naam Transgender Netwerk Nederland.

De consequentie is dat 'transgender' en 'transseksueel' niet hetzelfde meten. Transseksualiteit in de zin van Benjamin beschrijft een kleine, medisch gedefinieerde groep. Transgender omvat die groep, maar ook mensen die geen enkele medische stap willen zetten. Wie beide begrippen door elkaar gebruikt, vergelijkt verschillende populaties.

2013: genderdysforie, van identiteit naar lijden

In mei 2013 verscheen de DSM-5 en daarin heette de diagnose voortaan genderdysforie. De werkgroep onder voorzitterschap van Kenneth Zucker wilde twee dingen tegelijk: afkomen van het stigma dat een genderidentiteit op zichzelf een stoornis zou zijn, en toch een diagnose behouden die toegang tot vergoede zorg mogelijk maakt. De oplossing was om niet de identiteit maar het klinisch significante lijden of de beperking in het functioneren tot kern van de diagnose te maken. Wie zich prettig voelt in een genderidentiteit die afwijkt van het geboortegeslacht, heeft volgens de DSM-5 geen stoornis; wie daar ernstig onder lijdt, kan de diagnose genderdysforie krijgen.

De tekstrevisie DSM-5-TR uit 2022 paste de formuleringen opnieuw aan: 'gewenst geslacht' werd 'ervaren gender', 'natal male' werd 'bij de geboorte als man geregistreerd' en 'cross-sekse hormoonbehandeling' werd 'genderbevestigende hormoonbehandeling'. De criteria veranderden niet, de woorden wel, en daarmee ook de impliciete boodschap over wat normaal is en wat behandeling is.

2019: genderincongruentie verlaat de psychiatrie

De grootste symbolische stap zette de Wereldgezondheidsorganisatie. Op 25 mei 2019 nam de Wereldgezondheidsassemblee de ICD-11 aan. Alle transgerelateerde categorieën verdwenen uit het hoofdstuk over psychische en gedragsstoornissen. In plaats daarvan kwam in het nieuwe hoofdstuk 17 over aandoeningen gerelateerd aan seksuele gezondheid de term genderincongruentie, in twee varianten: genderincongruentie in de adolescentie en volwassenheid, en genderincongruentie in de kindertijd. De classificatie trad op 1 januari 2022 in werking.

Het woord incongruentie zegt iets anders dan dysforie. Dysforie veronderstelt lijden; incongruentie beschrijft alleen een ervaren mismatch tussen genderidentiteit en geboortegeslacht, zonder dat lijden een voorwaarde is. De WHO koos daarvoor om toegang tot zorg te behouden zonder te pathologiseren. Critici, onder wie clinici die met kinderen werken, vroegen zich af of een diagnose in de kindertijd überhaupt nodig is als er geen medische behandeling voor kinderen bestaat, en of een label zonder lijdenscriterium de drempel naar medicalisering niet verlaagt. Dat debat is niet beslecht.

Genderdivers en non-binair: de nieuwste laag

Vanaf ongeveer 2010 kwamen twee termen op die het spectrum verder openden. Non-binair beschrijft mensen die zich niet of niet uitsluitend als man of vrouw identificeren. Genderdivers is een nog bredere koepel voor iedereen wiens genderbeleving afwijkt van de binaire norm, met of zonder dysforie, met of zonder behandelwens. In Nederland kreeg de categorie juridische erkenning toen de rechtbank Limburg in 2018 toestond dat in de geboorteakte een X in plaats van M of V werd opgenomen; sindsdien hebben meer rechters dat gevolgd. Een wetsvoorstel uit 2021 om de deskundigenverklaring uit de Transgenderwet te schrappen en wijziging op eigen verklaring mogelijk te maken, werd in september 2022 plenair behandeld en bleef daarna onderwerp van langdurige politieke discussie. Hoe zelfidentificatie in verschillende landen is geregeld, staat bij zelfidentificatie.nl.

Het CBS maakte in 2024 voor het eerst een schatting: ongeveer 1 procent van de Nederlandse bevolking van vijftien jaar en ouder, zo'n 151 duizend mensen, identificeert zich als transgender, onder wie ongeveer 45 duizend non-binaire of genderqueer personen, 0,3 procent. Dat is een totaal andere orde van grootte dan de klassieke prevalentieschattingen van transseksualiteit, die in de orde van één op de tienduizend tot één op de dertigduizend lagen. Het verschil zit niet in een plotselinge toename van mensen, maar grotendeels in wat er geteld wordt.

Wat de verschuiving betekent voor cijfers, zorg en debat

Cijfers

Elke nieuwe term vergroot de groep die eronder valt. Een bericht dat 'het aantal transgender personen' is gestegen, kan dus drie dingen betekenen: er zijn meer mensen met een genderwens, meer mensen durven zich te uiten, of de definitie is verbreed. Meestal is het een mix. Voor klinische cijfers geldt hetzelfde: een stijging van verwijzingen naar genderklinieken na 2013 valt samen met de introductie van genderdysforie als bredere diagnose en met de opkomst van non-binaire identiteiten. De tijdlijn van het transgenderdebat is daarom alleen te interpreteren met de terminologie van het betreffende jaar in de hand, zoals ook de analyse van de omslag in de geslachtsverhouding bij aanmeldingen laat zien.

Zorg

Het oorspronkelijke Nederlandse behandelprotocol was ontworpen voor transseksuele adolescenten in de strikte zin: vroeg begonnen, aanhoudende, binaire dysforie zonder zware bijkomende problematiek. Onder de brede paraplu van genderincongruentie melden zich nu ook jongeren met een non-binaire identiteit, een laat begonnen genderonvrede of een combinatie met autisme, angst of depressie. Voor die groepen is de evidentie uit de klassieke studies niet zonder meer geldig, iets wat de Cass Review in 2024 en de Nederlandse Gezondheidsraad in 2026 beide benoemden. Over de overlap met autisme publiceert genderautisme.nl.

Debat

Ten slotte bepaalt taal de toon van het gesprek. Wie 'genderdysforie' zegt, plaatst het onderwerp in de geneeskunde; wie 'genderincongruentie' of 'genderdiversiteit' zegt, plaatst het in het domein van identiteit en mensenrechten. Beide kaders zijn legitiem, maar ze leiden tot andere vragen. Het medische kader vraagt naar bewijs, indicatie en risico; het identiteitskader vraagt naar erkenning en autonomie. Veel van de felheid in het huidige debat ontstaat doordat gesprekspartners dezelfde woorden gebruiken met verschillende kaders in hun hoofd. Meer over de hele chronologie staat in de hub Tijdlijn.

Weging

De route van transseksueel naar genderdivers is geen verhaal van juist of onjuist taalgebruik, maar van een begrip dat steeds breder is geworden: van een kleine, medisch omschreven groep met een lichamelijke behandelwens naar een spectrum van identiteiten waarvan slechts een deel medische zorg zoekt. Depathologisering was daarbij een bewuste, internationaal gesteunde keuze. De keerzijde is dat cijfers uit verschillende periodes niet meer zonder vertaling vergelijkbaar zijn, en dat behandelrichtlijnen die voor de smalle groep zijn ontwikkeld, nu op een veel bredere groep worden toegepast. Wie het debat wil begrijpen, doet er goed aan bij elke term te vragen: wie wordt hier precies bedoeld, en in welk jaar?

Bronnen

  1. Benjamin, H. (1966). The Transsexual Phenomenon. New York: Julian Press.
  2. American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fifth Edition (DSM-5). Arlington: APA.
  3. World Health Organization (2019). International Classification of Diseases, 11th Revision (ICD-11), hoofdstuk 17: Conditions related to sexual health. Genève: WHO.
  4. Drescher, J. (2010). Queer diagnoses: Parallels and contrasts in the history of homosexuality, gender variance, and the Diagnostic and Statistical Manual. Archives of Sexual Behavior, 39(2).
  5. Zucker, K.J., Lawrence, A.A. & Kreukels, B.P.C. (2016). Gender dysphoria in adults. Annual Review of Clinical Psychology, 12.
  6. Wiepjes, C.M. et al. (2018). The Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria Study (1972–2015): Trends in prevalence, treatment, and regrets. Journal of Sexual Medicine, 15(4).
  7. Centraal Bureau voor de Statistiek (2024). Nederland telt 2,7 miljoen LHBTQIA-personen. Den Haag/Heerlen: CBS.
  8. Staatsblad (2014). Wet van 18 december 2013 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het wijzigen van de voorwaarden voor de vermelding van het geslacht in de geboorteakte (Transgenderwet), in werking 1 juli 2014.

Redactie Transtijd.nl

Onafhankelijke redactie die de geschiedenis, keerpunten en cijfers van het transgenderdebat met controleerbare bronnen in kaart brengt. Informatief, geen medisch advies. Laatst bijgewerkt op 9 september 2026.

Meer over ons →

Veelgestelde vragen

Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.

Meer over Tijdlijn